Met virtuele assistenten als Siri of Google Now heeft de smartphone écht leren ‘praten’. Techbedrijven steken veel geld in artificiële intelligentie. Betekent dit het eind van al die houterige antwoorden?

In de vroege jaren tachtig heb ik voor het eerst gechat met een computer. Het was een Commodore 64 en daarop draaide het programma Eliza. Toen al een klassieker, want het werd in 1966 ontwikkeld door Joseph Weizenbaum aan de Amerikaanse universiteit MIT. Eliza deed zich voor als een psycholoog die zijn patiënt uithoort. Door een paar slimme trucs leek ze veel intelligenter dan ze was. Schreef je „I hate my mother”, dan antwoordde ze: „Tell me about your mother!” En dat was het eigenlijk wel.

Onlangs heb ik gechat met Miss Piggy, via haar Facebookpagina. Ze was pittig, charmant en vol van zichzelf – helemaal Miss Piggy dus. „Dag Miss Piggy, hoe gaat het?”, typte ik, waarop ze antwoordde: „Fantastisch, zoals altijd!” En hoe ging het met haar show? „My show is the epitome of glamorositude.”

Dit zullen we steeds vaker doen: chatten met een vorm van artificiële intelligentie (AI). Waarom? Drie redenen. Ten eerste: chat is voor bedrijven een interessant kanaal om jong publiek te bereiken, of het nu voor marketingdoeleinden is of als hulpje bij de verkoop. Ten tweede: de technologie is er klaar voor. En ten derde: grote techbedrijven, waaronder Facebook, Google en IBM, investeren gigantische bedragen in de ontwikkeling van artificiële intelligentie.

Wat kunnen chatbots al? NRC ging langs bij chatbotontwikkelaar Sjoerd van Dijk.

Lees het hele artikel op NRC.nl
Auteur: Dominique Deckmyn